Indicerende zorgaanbieder werkt sneller, maar kwaliteit kan beter

Gepubliceerd op 11 december 2017

Uit de eindevaluatie van het experiment indicatiestelling van Waardigheid en trots blijkt dat de experimentele werkwijze het proces van indicatiestelling aanzienlijk versnelt. Ook ervaart de cliënt deze werkwijze als minder belastend dan wanneer de gehele indicatieprocedure door het CIZ wordt uitgevoerd. De kwaliteit van de indicatieadviezen van zorgaanbieders is echter nog niet optimaal. De eindevaluatie werd in opdracht van het Ministerie van VWS uitgevoerd door Berenschot.

Binnen Waardigheid en trots kregen zestien instellingen in de verpleeg- en gehandicaptenzorg de ruimte te experimenteren met indicatiestelling. De zorgverleners brengen de zorgvraag van de cliënt in kaart en stellen een onderbouwd advies op. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) toetst ieder advies op basis van een door de zorgaanbieders ingevuld format en neemt het besluit. De werkwijze bouwt voort op de ervaringen die zijn opgedaan in het experiment regelarme instellingen (ERAI).

Voor de eindevaluatie interviewde Berenschot vertegenwoordigers van de betrokken zorgaanbieders, het CIZ, individuele cliënten, het Zorginstituut Nederland en zorgorganisaties die niet deelnemen aan het experiment. Daarnaast is onder cliënten een enquête uitgezet en werden kwantitatieve gegevens geanalyseerd.

Vorige week bood minister De Jonge van VWS de eindevaluatie aan aan de Tweede Kamer. “De minister heeft de Kamer laten weten dat de eindevaluatie hem aanknopingspunten biedt om de komende maanden te verkennen of en zo ja hoe de experimentele werkwijze verder kan worden uitgerold”, zegt projectleider Bram Berkhout. “In de verkenning zal ook aandacht zijn voor onze kanttekeningen bij onder meer de kwaliteit en de onafhankelijkheid van de indicatie-adviezen. Verder zouden CIZ en de zorgaanbieders in onze ogen afspraken moeten maken over het waarborgen van ieders rol in het indicatieproces.”