Culturele en creatieve sector ontvangt steun om eerste nood van coronacrisis te overleven

Gepubliceerd op 15 april 2020

Berenschot heeft het belang vastgesteld van een overbruggingsfonds voor de culturele en creatieve sector die schade ondervindt als gevolg van de coronacrisis. Het doel van dit overbruggingsfonds is creatieve professionals niet kopje onder te laten gaan en faillissementen van organisaties op korte termijn te voorkomen. Het Kabinet heeft op 15 april € 300 miljoen steun aan de culturele sector toegezegd, waarmee de eerste nood van vitale culturele infrastructuur kan worden gelenigd.

Berenschot heeft op verzoek van Kunsten’92 een uitgebreide inventarisatie gemaakt van de problematiek in de culturele en creatieve sector en van de benodigde maatregelen. Hieruit blijkt waarom specifieke maatregelen nodig zijn en waarom de generieke maatregelen voor deze sector onvoldoende zijn, en daarmee waarin een overbruggingsfonds zou moeten voorzien.

Specifieke maatregelen zijn nodig

De gederfde inkomsten van de culturele en creatieve sector zijn voor de periode tot 1 juni 2020 geraamd op € 969 miljoen (exclusief de mediasector). Het kabinet heeft reeds een aantal generieke maatregelen ingezet ter ondersteuning van ondernemers en zelfstandigen. Subsidiegevers zijn bovendien coulant ten aanzien van verplichtingen en prestaties. Betaling van huur en belastingen mag worden uitgesteld. Dit ondervangt een deel van de liquiditeitsproblematiek. Uit veel voorbeelden blijkt echter dat dit onvoldoende is. Inmiddels vragen instellingen faillissement aan en moeten muzikanten instrumenten verkopen. Aanvullende financiering is op korte termijn nodig vanwege deze zaken:

  1. Structuur van arbeidsmarkt – Een deel van de instellingen of individuen in de culturele en creatieve sector valt om diverse redenen buiten de generieke maatregelen zoals die zijn afgebakend, bijvoorbeeld door de vorm van de werkpraktijk (opdrachtgevers, werkplek) of de SBI-code. De structuur van de arbeidsmarkt in deze sector is daar debet aan. De generieke maatregelen treffen te beperkt doel in een sector waar zelfstandigheid en flexibel werk veel voorkomen, waardoor de breed ingezette rijksmiddelen de culturele en creatieve sector onvoldoende bereiken. Waar de generieke maatregelen niet worden aangepast of opgerekt, zijn specifieke maatregelen nodig.
  2. Piekseizoen – Het seizoenspatroon van veel cultuuruitingen vertoont een piek in het voorjaar, zoals bij festivals, evenementen en openluchtmusea, terwijl de NOW met een gemiddeld kwartaal rekent. Ook inkomensondersteuning via de TOZO en de TOGS spelen niet op de piek van nu in.
  3. Toen en straks – De periode waarvoor de generieke maatregelen gelden (hier en nu) is te kort voor de problemen en de plannings- en investeringshorizon van de sector. Er moeten ook meerkosten worden gemaakt door aanpassing van producties en presentaties (denk aan digitale versies). Reeds gedane investeringen in producties en evenementen zijn weg en in veel gevallen is herhaling of herkansing onmogelijk. Er is ook vaak een verschil tussen moment van aankoop en moment van afname door publiek en deelnemers. Daarin voorziet de ticketing-regeling ten dele. Voor zelfstandigen voldoen de regelingen die gericht zijn op lastendekking op dit moment niet. Bovendien is voor het komende seizoen vanwege de crisis vraaguitval te voorzien.
  4. Infrastructuur en vaste lasten – Lasten die doorlopen anders dan loon (zoals huur en afschrijving, maar ook onderhoud erfgoed en monumenten) worden nu niet gedekt door reguliere inkomsten (zoals subsidie, publiek, verhuur en toerisme). Een groot deel van de culturele en creatieve sector heeft normaal gesproken een uitdagende bedrijfsvoering. Het culturele product wordt vaak tegen kostprijs geleverd, als maatschappelijke investering, waardoor er onvoldoende reserves zijn.
  5. Inkomen anders dan uren - Daar waar inkomen niet direct gerelateerd is aan uitgevoerde activiteiten maar aan bijvoorbeeld auteursrechten, commissies of vertoningen van films, voldoen generieke urengebaseerde regelingen niet om gederfde inkomsten en inkomens te compenseren.

Generieke maatregelen zijn onvoldoende

De generieke maatregelen voorzien deels in inkomsten. We benoemen hierna per generieke maatregel waarom deze onvoldoende tegemoet komt aan de noden in de culturele en creatieve sector:

Noodmaatregel Overbrugging voor Werkbehoud (NOW)

  • Voorziet niet in (doorbetaling van) lasten voor inzet van zzp’ers door instellingen en bedrijven.
  • Biedt geen compensatie voor het omzetverlies dat nodig is voor vaste lasten anders dan lonen.

Tijdelijke Overbruggingsmaatregel Zelfstandig Ondernemers (TOZO)

  • Aanvulling tot bijstandsniveau voorziet niet in inkomen en extra bestedingen in de voorjaarspiek.
  • Sector mist verdienperspectief om lening voor bedrijfskapitaal terug te betalen op termijn.
  • Groot deel van artiesten, freelancers en flexwerkers hebben geen toegang tot deze regeling.

Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19 (TOGS)

  • Veel bedrijven en beroepen in scheppende en creatieve sectoren zijn (vooralsnog) uitgesloten.
  • De vaak hybride beroepspraktijk, de (historische) registratie in SBI, met de omschrijving van bedrijfsactiviteiten met hoofd- en nevenactiviteiten, maken deze regeling ontoegankelijk.
  • Diverse andere eisen, zoals de omvang van vaste bedrijfslasten, werpen drempels op.

Kredietverschaffing via Qredits, BMKB et cetera

  • De sector mist grotendeels toegang tot en aansluiting bij reguliere bancaire kredietlijnen.
  • Verdienperspectief om lening voor tijdelijk krediet terug te betalen op termijn is veelal onzeker.
  • Krediet is wel een oplossing voor tijdelijk liquiditeitsprobleem, maar niet voor inkomstenderving.

Overbruggingsfonds dient een breed belang

Het risico is groot dat de coronacrisis de structurele basis van de culturele en creatieve sector aantast en de ketens van productie, distributie en presentatie verbreekt. Nu bijspringen voorkomt structurele artistieke, maatschappelijke en economische waardevernietiging en schade die vele malen groter is dan de kosten van een overbruggingsfonds. Ook de Raad voor Cultuur dringt aan op een steunfonds in zijn brief van 6 april. Het is tevens helder dat een overbruggingsfonds niet alle resterende noden kan lenigen en ook niet moet worden ingezet om, met de coronacrisis als excuus, een ongezonde sector te vitaliseren. Het ministerie van OCW is bezig met het onderzoeken van de mogelijkheden voor het vormgeven van een fonds, in samenspraak met diverse experts. In onze optiek ligt echter de verantwoordelijkheid voor het lenigen van de noden breder dan bij dit ministerie. Andere ministeries, provincies en gemeenten kunnen steun verlenen via dit overbruggingsfonds.

Voor meer informatie en de inventarisatie van maatregelen door Berenschot verwijzen wij naar de website van Kunsten’92.