Vereniging of stichting?

Wie een groep mensen rondom een maatschappelijk doel wil binden, kiest als organisatievorm vaak een vereniging. Maar ook de stichtingsvorm komt regelmatig voor. De keuze tussen een vereniging of stichtingsvorm is echter niet waardevrij en gaat over veel meer dan alleen de organisatievorm.

Wie een groep mensen rondom een maatschappelijk doel wil binden, kiest als organisatievorm vaak een vereniging. Maar ook de stichtingsvorm komt regelmatig voor. De keuze tussen een vereniging of stichtingsvorm is echter niet waardevrij en gaat over veel meer dan alleen de organisatievorm.

Veel inmiddels grote en professionele organisaties zijn vroeger door direct belanghebbenden opgericht als vereniging. Woningcorporaties zijn hiervan een goed voorbeeld: ontstaan aan het begin van de vorige eeuw als maatschappelijk antwoord op grote sociale problemen. Ook in het onderwijs was de verenigingsvorm aan de orde. Verenigingen werden vaak gevormd langs verzuilde lijnen.

Inmiddels hebben deze organisaties de verenigingsvorm vrijwel allemaal verlaten. De invloed van individuele leden op bedrijfsmatige doelen werd als ingewikkeld gezien wegens langdurige besluitvormingsprocessen. Ook de verregaande mate van professionalisering verhield zich niet tot een bepalende stem van – langs de zijlijn staande – individuen. De stichtingsvorm past immers evengoed bij de publieke sector en maakt het besturen ervan zakelijker. Dat mag zo zijn, maar misschien is er in het verzakelijkingsstreven ook wat verloren gegaan.

Met het verzakelijken van de governance-vorm in de publieke en semi-publieke sector is namelijk een nieuwe vraag ontstaan: aan wie leg ik verantwoording af over mijn handelen en hoe veranker ik dit in mijn governance.

Sommige van oorsprong verenigingen die zich hebben omgevormd naar een stichting of een BV hebben daarnaast wel een vereniging behouden. De leden van zo’n vereniging (veelal vertegenwoordigd in een Ledenraad) hebben een aantal bevoegdheden die te maken hebben met de oorsprong van de organisatie (identiteit). Voorbeelden hiervan zijn de ANWB, de Rabobank en de Vrije Universiteit.

Andere organisaties richten een vereniging ‘Vrienden van’ op. Ziekenhuizen en culturele instellingen zijn hiervan goede voorbeelden. Deze vrienden verbinden zich aan de organisatie, ondersteunen deze financieel en vormen een extern visitekaartje.

Uiteindelijk draait het om de vraag welke legitimiteit de organisatie heeft om te handelen. Wordt die gegeven vanuit de overheid? Zeker; veel stichtingen vervullen een publieke taak, worden daarvoor gesubsidieerd en er wordt op hen toezicht gehouden. Maar in de governance gaan stichtingen ‘over zichzelf’ en is er maar beperkt governance-invloed van buiten gereguleerd. Er is intern en extern toezicht en interne stakeholders (medezeggenschap, huurders, cliënten) hebben bevoegdheden. Legitimatie strekt zich echter ook uit naar de omgeving van de organisatie. Juist als het gaat om zorgvuldig handelen, realiseren van de doelstellingen, zuiver en integer handelen en het toevoegen van maartschappelijke meerwaarde is een georganiseerde bemoeienis vanuit de samenleving nog niet zo gek.

De vereniging heeft nu juist dat doel: externe betrokkenheid en waardetoevoeging binnen de governance brengen. Ja dat is ingewikkeld en kost tijd en is misschien niet meer van deze tijd. Maar de gedachte achter een vereniging is het waard om opnieuw uit te werken naar moderne governancevormen, passend bij de eisen van vandaag.