Evaluatie materiele instandhouding in het primair onderwijs 2010-2014

Het ministerie van OCW heeft de ‘Evaluatie van de materiele instandhouding in het primair onderwijs 2010-2014’ gepubliceerd via haar website .

Het ministerie van OCW heeft de ‘Evaluatie van de materiele instandhouding in het primair onderwijs 2010-2014’ gepubliceerd via haar website. Berenschot en ICSadviseurs hebben gezamenlijk onderzocht in welke mate de Programma’s van Eisen (PvE's) voor gebouwonderhoud, schoonmaak, energie en onderwijsleerpakket (leermiddelen) aansluiten op de actuele situatie en de behoefte van scholen. Het ministerie werkt momenteel aan een beleidsreactie, die in eerste kwartaal van 2017 zal worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

De belangrijkste bevindingen uit de evaluatie zijn:

Schoolbesturen hebben in de periode van 2010 tot en met 2014 ten aanzien de onderzochte PvE’s gemiddeld 11% meer geld uit aan de materiele instandhouding dan de vastgestelde normbedragen. Als de overige, materiele lasten naar rato mee worden genomen dan neemt dit percentage toe met 24%.

De financiële bevindingen per onderzocht PvE zijn:

  • In het geval van gebouwonderhoud geven schoolbesturen gemiddeld 15% meer uit dan waarvoor zij bekostigd worden.
  • Voor schoonmaak krijgen schoolbesturen gemiddeld 7% meer geld van de Rijksoverheid dan wat zij hieraan uitgeven.
  • Voor gas, water en elektriciteit (energie) hebben schoolbesturen een rekening die gemiddeld 81% hoger is dan de bekostiging die zij voor dit PvE ontvangen.
  • Voor leermiddelen krijgen schoolbesturen gemiddeld 5% minder bekostigd dan wat zij hieraan uitgeven.

De huidige manier van werken met Programma’s van Eisen en de daarbij behorende berekeningen om de hoogte van de materiele vergoeding te bepalen sluiten op veel punten niet (meer) aan bij de dagelijkse behoefte van de scholen.

Hieronder een aantal voorbeelden.

Leegstand: de MI-vergoeding die een school ontvangt is gebaseerd op het werkelijke aantal leerlingen en niet op de gebouwcapaciteit. Een school met normatieve leegstand, die haar kosten in lijn heeft met de baten, moet concessies doen, bijvoorbeeld door minder onderhoud te plegen of een lager niveau van schoonmaak te accepteren.

Verschil hoogte MI-vergoeding en huisvestingscapaciteit: de normatieve schoolgrootte wordt bepaald op basis van het aantal leerlingen en het daarbij behorende aantal groepen. Uitgangspunt hierbij is dat voor elke groep 105 m² bruto vloeroppervlakte (bvo) nodig is. Bij het bepalen van de huisvestingscapaciteit (door de gemeente) wordt echter uitgegaan van 115 m² bvo per groep. Door het verschil in het bepalen van de normatieve schoolgrootte (tussen het Ministerie van OCW en gemeenten) ontvangt een schoolbestuur voor minder bruto vloeroppervlakte de materiële instandhoudingsvergoeding, dan de werkelijke huisvestingscapaciteit die door de gemeente wordt vergoed.

Energiebesparende maatregelen: energiebesparende maatregelen (isolatie, zonne-energie, etc.) worden geboekt op onderhoud, terwijl de lastenreductie zichtbaar is bij energie.

Beheer gymlokalen: scholen die het gymlokaal in eigen beheer hebben, ontvangen hier van de gemeente een klokuurvergoeding voor. Dit is een aparte batenstroom die los staat van de vergoeding voor materiele instandhouding vanuit de Rijksoverheid. De lasten voor het onderhoud van deze gymlokalen maken echter integraal onderdeel uit van de onderhoudslasten. Hierdoor zal het resultaat uit de cijfermatige analyse van deze evaluatie voor onderhoud, energie en schoonmaak negatiever zijn dan het in werkelijkheid is.

Huur in plaats van beheer: schoolbesturen die panden (of delen daarvan) huren betalen huur, waarmee de exploitatielasten van de eigenaar worden gecompenseerd (o.a. voor onder groot onderhoud). In principe zijn huurlasten voor rekening van de gemeente. Indien een schoolbestuur zelf huur betaalt, staat hier dus geen Rijksvergoeding tegenover. Daarnaast is in geval van een huursituatie of bij meer scholen onder één dak sprake van het verrekenen van de exploitatielasten voor de gebruiker (servicelasten). Indien dit als totaalpost onder huur wordt geboekt, betekent dit dat de kosten in de cijfermatige analyse van deze evaluatie voor o.a. schoonmaak en energie lager uitvallen en de huur hoger.

Verhuur van panden: schoolbesturen die panden, of delen van panden, verhuren of in medegebruik geven, betalen vaak het merendeel van de exploitatielaten van deze ruimten. De onderhoudskosten kunnen worden verdisconteerd in de doorberekende huur, de kosten voor schoonmaak en energie worden doorgaans op basis van werkelijke kosten naar rato verrekend.

Schoonmaak: scholen die de schoonmaak door eigen personeel laten uitvoeren, boeken deze kosten als personeelslasten. Hierdoor zijn de kosten voor schoonmaak in de cijfermatige analyse van deze evaluatie dus lager dan ze daadwerkelijk zijn.

ICT-coördinatie: in het PvE middelen is budget opgenomen voor de coördinatie van ICT en de scholing van medewerkers in het gebruik van ICT-middelen. In de praktijk zullen deze kosten echter niet op middelen worden geboekt, maar op personeel (coördinatie) en het scholingsbudget. Hiermee zijn de kosten voor ICT in de cijfermatige analyse van deze evaluatie dus lager dan ze in werkelijkheid zijn.

Overige baten: schoolbesturen worden soms via andere kanalen financieel ondersteund (bijvoorbeeld door middel van een steunstichting, giften of sponsoring). Deze extra baten kunnen worden ingezet voor de materiële instandhouding. In dit geval zijn deze baten niet meegenomen omdat ze niet herleidbaar zijn, maar zitten de lasten wel in de cijfermatige analyse van deze evaluatie.

Als we de totale baten en lasten van schoolbesturen over de jaren 2010 tot en met 2014 bekijken, zien we een veel kleiner verschil tussen baten en lasten (ruim € 9 miljoen of 0,02%). Het lijkt erop dat de tekorten op de materiële bekostiging inderdaad worden gecompenseerd door gelden vanuit bijvoorbeeld de niet onderzochte Programma’s van Eisen, verschuivingen tussen de Programma’s van Eisen onderling, de personele bekostiging, het eigen vermogen en/of subsidie-, steun- of sponsorgelden.