De energietransitie: niet puur een lokale opgave


In 2016 werd tijdens de Klimaatconferentie in Parijs een belangrijk akkoord gesloten. In dit akkoord is afgesproken om de hoeveelheid broeikasgassen wereldwijd zodanig te verminderen, dat de aarde met niet meer dan 2°C opwarmt (met het streven dit te beperken tot 1,5°C). Nederland heeft dit akkoord geratificeerd en moet zich daarom inzetten om de energietransitie te realiseren. De urgentie is hoog, aangezien huidige investeringen voor een groot deel de invulling van het energiesysteem in 2050 bepalen.

Gemeenten belangrijk voor lokale energietransitie

In de Energieagenda van het ministerie van EZ krijgen gemeenten een belangrijke rol in het faciliteren en realiseren van de lokale energietransitie. Hoewel gemeenten geen verplichte doelstellingen voor duurzame energie hebben, willen ze wel bijdragen aan de lokale energietransitie. Enerzijds om verantwoordelijkheid te nemen in de realisatie van het Parijsakkoord en om voor te sorteren op een eventuele Klimaatwet, anderzijds om andere gemeenten voor te blijven en duurzame bedrijven aan te trekken.

Gemeenten zijn dan ook druk doende met het opstellen van langetermijn ambities en kortetermijn actieplannen. In veel gevallen blijken die lastig te realiseren, onder meer door een gebrek aan ondersteuning door andere overheidsniveaus. Zo geven gemeenten aan dat verouderde wetten de lokale energietransitie belemmeren, is er weinig ondersteuning voor het opstellen van gemeentelijk energiebeleid en worden ze naar eigen zeggen op technisch gebied onvoldoende gesteund door de nationale overheid. En ook binnen gemeenten groeit weliswaar het bewustzijn van de lokale energietransitie, maar legt dit onderwerp weinig gewicht in de schaal als er beslissingen worden genomen. Daarnaast vinden gemeenten het lastig om de vooruitgang kwantitatief te monitoren, waardoor onderbouwd inzicht in vooruitgang ontbreekt.

Potentie regionale samenwerking groot

Om ambities en actieplannen toch te verwezenlijken, werken gemeenten samen met lokale bedrijven en kennisinstellingen om zichzelf te voorzien van bijvoorbeeld technische ondersteuning. Ook de samenwerking met nabijgelegen gemeenten neemt toe, waarbij grote gemeenten en nabijgelegen kleine gemeenten elkaar kunnen aanvullen. Grote gemeenten hebben de politieke wil, het netwerk en de capaciteiten om te energietransitie te faciliteren, kleine gemeenten vooral ruimte om de energietransitie daadwerkelijk te realiseren. De potentie van regionale samenwerking is daarom groot.

Hoe kunnen gemeenten de lokale energietransitie verder versnellen? Allereerst door ambitieuze maar realistische doelen te stellen, wat lokale stakeholders kan stimuleren zich in te zetten voor de transitie. Daarnaast zullen alle afdelingen binnen gemeenten de lokale energietransitie onderdeel moeten maken van de besluitvorming, aangezien veel beslissingen impact hebben op de realisatie ervan. Verder kunnen gemeenten monitoring vergemakkelijken door meetbare doelen te stellen (bijvoorbeeld X aantal windmolens gerealiseerd in jaar Y). Tot slot liggen er kansen in het beter benutten van de potentie van regionale samenwerkingen. Hiervoor dient een efficiënte coördinatievorm geformuleerd te worden.

De nationale overheid houdt voor dit thema een rol in de ondersteuning van gemeenten en regionale samenwerkingsverbanden ten aanzien van lokaal energiebeleid. Nu de komende tien jaar cruciaal zijn om het Parijsakkoord te halen – waar de Nederlandse overheid zichzelf toe heeft verplicht – dient de urgentie op elk niveau gevoeld te worden. Alleen dan kan de lokale energietransitie daadwerkelijk bijdragen aan het behalen van het akkoord.

Zita Koks onderzocht tijdens haar stage bij Berenschot de stand van zaken rond de lokale energietransitie. Deze blog vormt de afsluiting van haar stageonderzoek.