Dagverslag Tweede miniconferentie: Grip op de in- en uitstroom (Hoe bereik je als gemeente de participatiewet-doelen en beperk je de BUIG-uitgaven?)

Gepubliceerd op 29 november 2016

Op 9 november organiseerde Berenschot een miniconferentie met als thema het beperken van BUIG-uitgaven en tegelijkertijd voldoen door gemeenten aan de doelstellingen die zij vanuit de Participatiewet hebben meegekregen.

De conferentie was bestemd voor bestuurders en beleidsmedewerkers van gemeenten, managers van verschillende uitvoerende diensten,  (concern)controllers en directeuren van sociale diensten en SW-bedrijven. Er was veel animo voor de conferentie: het maximale aantal deelnemers dat kon worden ontvangen werd ruimschoots overschreden, met als gevolg de organisatie van een tweede miniconferentie op 22 november.

We trapten de dag af met twee interessante plenaire sessies. Fer Nieuweboer (Afdelingshoofd participatie en decentrale voorzieningen) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid sprak de zaal toe over de opgaven die de Participatiewet aan gemeenten heeft gegeven en de keuzes en dillema’s die hierbij komen kijken. Vanuit de zaal werd actief geparticipeerd, en er ontstonden interessante discussies over de verschillende situaties en behoeften van gemeenten onder de transformatie en hoe hierop kan worden ingespeeld. Vervolgens nam Paul Schenderling van Berenschot het stokje over door tien concrete verbeterkansen te presenteren die gemeenten tot hun beschikking hebben om de inmiddels ingezette transformatiefase gericht tot een goed einde te brengen. Daarbij geldt als belangrijkste uitdaging om nieuwe innovaties binnen het klantproces gedoseerd toe te voegen en te zorgen dat ze aansluiten op het geheel van de uitvoeringsorganisatie.

Dit vormde het startsein om verdere verdieping te zoeken binnen de workshops, die zich elk richtten op een belangrijk vraagstuk rondom het doelmatig en innovatief invulling geven aan de Participatiewet. Interactief werd hierin gezocht naar mogelijke handvatten om met de aan gemeenten gepresenteerde uitdagingen om te gaan.

Workshop 1: Slimme inrichting van mijn uitvoeringsorganisaties

Aan de hand van een presentatie verzorgd door Martin Heekelaar (sectorleider werk en inkomen bij Berenschot) bogen deelnemers aan deze workshop zich over de vraag hoe uitvoeringsorganisaties in het sociaal domein nu zo kunnen worden ingericht zodat doelgerichte instrumenten het beste hun effect kunnen bereiken met het oog op het reduceren van de BUIG-uitgaven. De belangrijkste do’s en dont’s die de deelnemers meekregen laten zich als volgt samenvatten:

  • Focus je als gemeente niet enkel op het terugdringen van de BUIG-uitgaven. Verschillende factoren zijn van belang voor een doelmatige omgang met het inkomensdeel: efficiency, rechtmatigheid, effectiviteit en dienstverleningsniveau. Slechts inzetten op één van deze aspecten betekend dat deze focus ten koste gaat van andere aspecten, en een integrale benadering oogst het beste resultaat. Denk bijvoorbeeld aan het rigide invoeren van een inspanningsperiode. Deze is (mogelijk) zeer effectief, maar kan op termijn grote problemen opleveren voor andere belangrijke aspecten van de uitvoeringen, zoals het dienstverleningsniveau.
  • Zet als gemeente niet teveel instrumenten tegelijkertijd in. Dan weet je op den duur namelijk niet meer welk instrument welk effect heeft, en weet je dus niet wat wel en niet werkt.
  • Gerichte her-controle levert vaak fors resultaat op. De Gemeente Rotterdam boekte mooie resultaten bij her-controles onder specifieke groepen, maar zelfs een willekeurige controle leverde een uitstroom van 10-15% op.
  • Een brede inzet van SROI levert je als gemeente veel controle op bij het creëren van uitstroomkansen, omdat je in feite (indirect) werkgever wordt.
  • Het valt met het oog op de BUIG-uitgaven aan te raden om inrichtingsbeslissingen op doorgerekende businesscases (welke verwachte kosten en baten levert de beslissing, bijvoorbeeld de inzet van een instrument) op) te baseren

De bespreking van deze do’s en don’ts leverden interessante discussies op binnen beide groepen: gelden deze lessen (zoals de inzet van gerichte her-controle) voor alle gemeenten of voornamelijk voor grote gemeenten zoals Rotterdam en Den Bosch (de besproken voorbeelden)?

Workshop 2: Beschutte arbeid

Paul Schenderling (Berenschot) presenteerde samen met Gerard Ruis van Cedris de resultaten van het onderzoek naar de verschillen, met name met betrekking tot de beleving van klanten, tussen beschut werk en arbeidsmatige dagbesteding dat Berenschot voor Cedris heeft uitgevoerd. Voor dit onderzoek werden 85 deelnemers aan arbeidsmatige dagbesteding en beschut werk geïnterviewd over de toegevoegde waarde van deze vormen van participatie. Hoofdconclusie is dat hoewel de doelgroepen van beschut werk en arbeidsmatige dagbesteding op het eerste gezicht sterk op elkaar lijken, beschut werk op een andere manier het verschil maakt in de levens van mensen dan arbeidsmatige dagbesteding. Er zijn 4 verschillen die naar voren gekomen:

  • Verschil in beleving presentatieniveau (mensen halen hier bij beschut werk veel trots uit, maar mensen switchen soms ook van beschut werk naar arbeidsmatige dagbesteding als de druk te hoog is).
  • Verschil in beleving meesterschap (veel mensen gaven aan het werk goed te willen doen vanwege het werk zelf –intrinsieke motivatie. Dit draagt bij aan het welbevinden van de mensen. Terugkoppeling van de leidinggevenden dat ze het goed doen is extra belangrijk bij beschut werk).
  • Verschil in beleving loon cf. dienstverband (bij mensen met beschut werk is dit belangrijker dan bij mensen met arbeidsmatige dagbesteding. Mensen werken ergens voor, dus ze willen er ook geld voor ontvangen. Ze willen graag behandeld worden zoals andere Nederlanders. Sociale factor is belangrijker voor mensen dan de financiële incentive).
  • Verschil in beleving van zingeving (mensen in beschut werk benoemen vaker wat er gebeurd met de producten die ze maken; de koppeling met het eindproduct wordt daar vaker gemaakt dan bij mensen met arbeidsmatige dagbesteding).

Verdiepende gesprekken met de werkleiding lieten verder zien dat mensen door beschut werk minder gebruik lijken te maken van individuele begeleiding en maatschappelijk werk. Dit komt doordat mensen al de hele dag intensieve begeleiding hebben, het werk en de werkcontext positief gedrag bevorderd en mensen vroegtijdig ondersteuning kunnen signaleren waardoor minder zware ondersteuning nodig is. De aanbevelingen van het onderzoek luiden daarom met name:

  • Kies zorgvuldig welke mensen het beste met welke vorm van participatie aan de slag gaan
  • Stimuleer het aanleren van nieuwe vaardigheden, zorg voor het juiste werktempo en voorkom dat mensen worden tegengehouden door de dagbesteding waar ze mee bezig zijn terwijl ze eigenlijk meer vaardigheden willen en kunnen leren (het lock-in-effect).

Workshop 3: Kwetsbare jongeren (VSO/Pro-jongeren) en de participatiewet

Middels een presentatie verzorgd door Ad Baan en Emma Zwaveling van Berenschot verdiepte een groep deelnemers zich in een onderzoek onder 150 kwetsbare jongeren die een jaar van school zijn naar de routes die zij bewandelen in de transitie van school naar werk, aangevuld met een literatuurstudie van succes- en faalfactoren. Dit onderzoek werd door Berenschot in Noord-Limburg uitgevoerd in opdracht van de programmaraad. Hieruit kwamen een aantal belangrijke succesfactoren naar boven rondom de transitie van school naar werk

  • Steun en het gevoel van vertrouwen/geloof vanuit de omgeving van de leerling. Dit kan een docent, familielid, jongerencoach of andere mentor zijn die de jongere bemoedigd.
  • De juiste ondersteuning en aandacht, die ook op het juiste moment komt
  • Continuïteit in begeleiding, en een vaste contactpersoon
  • De rust en ook de mogelijkheid om dingen in het eigen tempo te doen
  • Het actief betrekken van de jongeren bij beslissingen en keuzes die hen aangaan
  • Betrokkenheid van familie, ouders en netwerk
  • Drive en motivatie (de dromen) van de jongere zelf
  • Een multidisciplinaire aanpak en goede samenwerking en waarborging/deling van kennis tussen de verschillende disciplines
  • Betrokkenheid van werkgevers

Workshop 4: Zicht op de bepalende factoren rond budget en uitgaven

In een levendige interactieve setting gingen John Zevenbergen van het Ministerie van SZW en Caren Tempelman van SEO Economisch Onderzoek in op de factoren die in grote mate bepalen hoe de gemeentelijke BUIT-budgetten tot stand komen en op welke wijze uitgaven beheerst kunnen worden. Caren trapte af met het verdeelmodel dat SZW zal hanteren voor de verdeling van de BUIG-budgetten in 2017, en op welke wijze het model is veranderd ten opzichte van voorgaande jaren. Tevens presenteerde zij de ‘Rekentool’ die SEO heeft ontwikkeld om gemeenten te helpen inzichtelijk te maken hoe ze waarschijnlijk op basis van het model toebedeeld zouden worden, en in welke mate verschillende doelgroepen uit de participatiewet over- of ondervertegenwoordigd zijn binnen een gemeente ten opzichte van wat wordt verondersteld door het verdeelmodel, zodat kan worden vastgesteld wat de mogelijke budgettaire uitwerkingen hiervan zijn.

John presenteerde vervolgens de vangnetregeling voor 2017, waarop gemeenten een beroep kunnen doen indien er stoornissen plaatsvinden in het objectieve verdeelmodel. Hiervoor gelden de volgende toekenningsvoorwaarden:

  • Er is sprake van een tekort over 2017 van meer dan 5% van het toegekende budget van 2017
  • Over gecumuleerd tekort over de referteperiode bedraagt meer dan 5% van het budget van 2017
  • Het college verklaart dat maatregelen zijn getroffen om tot tekortreductie te komen
  • Instemming van de raad met de (juistheid van de) verklaring van het college

Mits toegekend (dit gebeurde in het voorgaande jaar 150 a 160 keer), is er sprake van een getrapte vergoeding.

Na afloop van de presentaties ontstond een levendige discussie tussen de deelnemers, waarbij met name veel aandacht was voor de toepassing van het rekenmodel. Deze werd gedemonstreerd aan de hand van een paar voorbeeldgemeenten uit de zaal. Voor meer informatie rondom het model kan contact worden opgenomen met Caren. De rekentool kan worden bekeken op deze pagina. Voor meer informatie omtrent de vangnetregeling kunnen de bijgevoegde slides worden geraadpleegd.

Workshop 5: Meer mensen aan de slag door LKS en detachering

Loonkostensubsidie (LKS) en detachering vormen instrumenten waarmee je als gemeenten verschillende doelgroepen van de Participatiewet aan de slag kunt helpen. Maar voor wie zet je het beste welk instrument in en hoe bepaal je dat? Hierover presenteerde Maarten Adelmeijer (Berenschot) de resultaten van een enquête onder gemeenten die door Berenschot is uitgevoerd in 2016. Hieruit blijkt dat gemeenten loonkostensubsidie vooral inzetten voor het doelgroepen register. Hoe effectief dat is hangt af van drie factoren:

  • De loonwaarde van de werknemer
  • Het aantal fte
  • De huishoudsamenstelling van de werknemerTijdens de sessie werden door deelnemers ook andere interessante inzichten gedeeld:

De ondergrens ligt bij een loonwaarde rond de 40-50%, met ongeveer 0,8 fte inzet. Daarnaast moet goed gekeken worden of iemand niet op een andere manier toch wel aan het werk komt – dan moet uiteraard geen loonkostensubsidie worden ingezet. In de zaal ontstond naar aanleiding hiervan een discussie. “Het doel van de P-wet is juist dat mensen met een arbeidsbeperking in vaste dienst komen bij een reguliere werkgever. Nu worden ze alleen maar ingezet met loonkostensubsidie en middels detachering” werd geuit als zorg. Dit kan te maken hebben met angst bij werkgevers: het risico om iemand in vaste dienst te nemen is nog te groot. Voor deze angst is op dit moment nog onvoldoende oplossing gevonden.

Tijdens de sessie werden door deelnemers ook andere interessante inzichten gedeeld:

  • De bedoeling van de Participatiewet is juist dat werknemers mensen met een arbeidsbeperking zelf in dienst nemen. Het risico dat daarbij hoort moet in de samenleving liggen, niet alleen bij de gemeente.
  • Detacheren en loonkostensubsidie zijn goede instrumenten om mensen kennis te laten maken met de doelgroep. Het doel is dat mensen uitstromen naar regulier werk. Lukt dit op termijn niet? Zet de middelen dan in voor andere mensen die deze kans mogelijk wel kunnen benutten.
  • De overheid is er niet om geld te verdienen. De belangrijkste motieven achter deze middelen zijn dat mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt participeren in de samenleving.
  • Soms is simpelweg meer tijd nodig – werkgevers moeten wennen aan het inclusief werken en hoe de doelgroep ondersteund kan worden. Deze tijdsspannen zou moeten worden meegenomen in de businesscase.

Als afsluitende tip werd meegegeven om als gemeente het overzicht te proberen bewaren. Nu is de administratie vaak nog te gefragmenteerd. Om wie gaat het en welke loonwaarde heeft die persoon, wat is de opbrengst van een traject, en waar eindigt de betreffende persoon? Wanneer informatie beschikbaar is om deze vragen te beantwoorden kan veel meer inzicht worden vergaard in de effectiviteit van ingezette instrumenten.

Workshop 6: Effectieve sturing op handhaving

De problematiek rondom onnodig en/of onrechtmatig werd in deze workshop vanuit het ervaringsperspectief van meerdere organisaties behandeld. Ronald Brouwer (Gemeente Groningen) en Bram Berkhout (Berenschot) deelden hun perspectieven op effectief handhavingsbeleid. Duidelijk werd dat terugvordering op het moment dat fraude op lopende uitkeringen is vastgesteld relatief inefficiënt is vanwege de beperkte terugbetaling die doorgaans in de praktijk wordt gerealiseerd en vanwege de verhoogde kans op terugval in de bijstand door klanten die op basis van handhaving uitstromen dan klanten die regulier uitstromen. In het huidige tijdperk geldt daarom bij uitstek dat voorkomen beter is dan genezen.

De gemeente Groningen heeft daarom werk gemaakt van het voorkomen van onnodig onterecht/oneigenlijk uitkeringsgebruik. Er zijn aantal maatregelen aan de poort getroffen om instroom te beperken, met resultaat. Uit cijfers blijkt dat er een hogere preventiequote is bereikt, op zo’n 4500 aanvragen per jaar, vinden er nu 400 minder toekenningen plaats. De uitdaging voor de komende tijd ziet de gemeente in het versterken van de aandacht voor handhaving bij ‘Werk’. Samenwerking tussen inkomen en de lokaal opererende WIJ-teams (wijkgerichte sociale teams) heeft verder gezorgd voor gezamenlijk gedragen opvatting over rechtmatigheid en vertrouwen.

Workshop 7: Ontwikkelen van het vakmanschap

Wietske le Feber (Berenschot) gaf een training over het ontwikkelen van vakmanschap door gericht te sturen van gedrag, in dit geval het activeren van zowel medewerkers als klanten. De vraag naar dit soort trainingen stijgt omdat de uitvoering van de participatiewet steeds meer vraagt van medewerkers. Zij moeten meer resultaatgericht werken en van hen wordt verwacht dat zij effectief sturen op het gedrag en houding van de werkzoekende. Uitgangspunt vormt het Managerial Grid, dat veronderstelt dat bij het sturen van gedrag zowel taakgerichte als mensgerichte aspecten aan bod komen. Met behulp van inspirerende fragmenten uit film en sport lichtte Wietske de Grid toe, waarna de deelnemers samen aan de slag gingen met een oefening. In rollenspellen probeerde men elkaars gedrag te sturen, terwijl de persoon (in het rollenspel de medewerker/klant) die geactiveerd diende te worden alleen mocht reageren met een ‘Ja, maar…’ In tweede instantie veranderde deze persoon zijn/haar houding naar een ‘Ja, en…’. In de tweede situatie blijkt het een stuk makkelijker om het gesprek positief te houden en effectief gedrag te sturen, in lijn met de Managerial Grid. Een simpele manier om te ervaren hoe men gedragsverandering constructief gerealiseerd kan worden. Er werd besloten met de noot dat leidinggevenden een cruciale rol spelen in het aansturen van het beoogde gedrag dat medewerkers vertonen en dat men moet waken voor perverse prikkels in de organisatie.