Evaluatie programma Waardigheid en trots


In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voerde Berenschot een evaluatieonderzoek uit naar het experiment op het thema indicatiestelling van het programma Waardigheid en trots. In dit experiment voeren zestien zorgorganisaties een groot deel van de werkzaamheden die nodig zijn voor een indicatie zelf uit, in plaats van dat het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) dat doet. Het CIZ neemt wel nog het uiteindelijke indicatiebesluit. De minister van VWS stond voor de vraag of het zinvol was het experiment voort te zetten. Daarvoor is gedegen inzicht nodig in de effecten van de experimentele werkwijze van indicatiestelling op een aantal belangrijke componenten van kwaliteit van zorg en het welzijn van cliënten. Doel van de evaluatie was dan ook om objectieve kennis te vergaren die het Ministerie van VWS helpt bij het maken van een weloverwogen keuze.

Brede consultatie

Voor het onderzoek interviewden we vertegenwoordigers van de zestien bij het experiment betrokken zorgorganisaties en het CIZ. Verder spraken we met individuele cliënten binnen de betrokken ouderen- en gehandicaptenzorgorganisaties, en vonden er interviews plaats met het Zorginstituut Nederland en vijf zorgorganisaties die niet aan het experiment deelnamen. Tevens hebben we kwantitatieve data van het CIZ en de zestien zorgorganisaties geanalyseerd. Tot slot vond een schriftelijke enquête plaats onder cliënten die recentelijk voor de Wet langdurige zorg waren geïndiceerd, zowel cliënten die door het CIZ zijn geïndiceerd als cliënten die te maken hebben gehad met de experimentele indicatiewerkwijze. Zo konden we de twee werkwijzen vergelijken vanuit het perspectief van de cliënt.

Vergelijk op zeven criteria

De uitkomsten van de experimentele indicatiewerkwijze vergeleek Berenschot op een zevental criteria met die van de reguliere werkwijze van het CIZ. De experimentele wijze van indicatiestelling bleek gunstiger te scoren dan de reguliere wijze wat betreft de wachttijd tot het definitieve besluit, de belasting van cliënten en de tijdsbesteding die het CIZ per indicatie gemiddeld kwijt is. De reguliere wijze scoort echter gunstiger wat betreft de tijdsbesteding die de zorgorganisaties gemiddeld per indicatie kwijt zijn en aangaande de kwaliteit van de indicaties volgens de definitie ‘juist besluit’ die het CIZ hanteert. Berenschot heeft geen specifiek gewicht gehecht aan elk van deze aspecten: het is nu aan het Ministerie van VWS en betrokken partijen om te bepalen hoe zwaar deze wegen en wat zij als meest gunstige beleidsalternatief beschouwen: uitbreiden van het experiment of ermee stoppen.