Kritische massa inzichtelijk met maatlat


Het ministerie van VROM is samen met de decentrale overheden verantwoordelijk voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) van de Wet Milieubeheer. Het ministerie wilde inzicht krijgen in de mate waarin gemeenten en provincies aan de minimale randvoorwaarden voldoen om deze taken goed uit te oefenen. En vroeg Berenschot maatlatten te ontwikkelen om de noodzakelijke capaciteit en kwaliteit in beeld te brengen.

Vijf elementen

De maatlat bestaat uit vijf elementen:

  • het takenpakket van een provincie of gemeente
  • het prestatieniveau waarop de taken moeten worden uitgevoerd
  • de noodzakelijke kennis en vaardigheden om de taken uit te voeren
  • de organisatorische borging van deze kennis en vaardigheden
  • de benodigde capaciteit in fte.

Samen geven deze onderdelen de noodzakelijke kritische massa aan. Met het model is te beoordelen of een organisatie voldoende op orde is om de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving adequaat uit te voeren. Zowel kwantitatief als kwalitatief.

Conceptmaatlatten

Berenschot startte het traject met een literatuuronderzoek. Over de organisatie van de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving is al veel gepubliceerd. In verschillende organisaties zijn kengetallen ontwikkeld. De documentenanalyse vormde de basis voor conceptmaatlatten.

Input klant

Carla Weber, consultant bij Berenschot, vertelt: ‘Gaandeweg werd duidelijk dat er nog witte vlekken in de maatlatten waren. De input van de klant was onmisbaar om deze vlekken in te vullen. Om het model te verfijnen en te valideren, zijn gesprekken gevoerd met experts van verschillende milieudiensten en kennisinstituten. Daarnaast vonden rondetafelgesprekken plaats met vertegenwoordigers uit de dagelijkse praktijk.'

Berenschot werkte verder nauw samen met een projectgroep die bestond uit experts van Interprovinciaal Overleg (IPO), Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Landelijk Overleg Milieu.

Interessant

De maatlatten zijn getoetst in een pilotproject. Carla Weber: ‘De gegevens in het model zijn daarin vergeleken met de praktijksituatie in twaalf gemeenten en twaalf provincies. Denk aan de normuren die voor verschillende activiteiten waren geformuleerd. Waar nodig zijn de gegevens in het model aangepast. Het uiteindelijke instrument is voor elke gemeentelijke of provinciale afdeling op het gebied van milieu, bouwen en wonen interessant!'.