Lessen uit het sociale domein


De ‘drie decentralisaties’ (oftewel de 3D’s) zijn, in strikt juridische zin, begin dit jaar voltooid. Het implementatietraject is op een enkel incident na, goed verlopen. Een enorme prestatie! De vraag is of de gemeenten dit huzarenstuk kunnen herhalen bij de implementatie van de Omgevingswet.

Uiteraard verschillen de 3D’s van de Omgevingswet. Dit neemt niet weg dat er tal van parallellen en daarmee lessen te trekken zijn voor de implementatie ervan. In positieve en in negatieve zin. In dit artikel verkennen we de overeenkomsten tussen beide operaties en formuleren we een aantal aanbevelingen voor gemeenten om te komen tot een soepele en succesvolle implementatie van de Omgevingswet. Kortom, wat valt er te leren uit de implementatie van de 3D’s?

Les 1: Transformatie vóór transitie

Wat de implementatie van de 3D’s en de Omgevingswet verbindt, is dat ze beide bestaan uit een transitie- en een transformatietraject. De transitie betreft de invoering van de nieuwe regels en richtlijnen, de aanpassing van de werkwijze en eventueel de organisatie, ontwikkeling van procedures enzovoorts. De cultuurverandering die noodzakelijk is om de potentie van de Omgevingswet optimaal te benutten, is te zien als de transformatie.

Bij de 3D’s richtten de meeste gemeenten zich allereerst op de transitie. Gebleken is echter dat juist gemeenten die de transformatie vroegtijdig hebben ingezet het beste presteren in het sociale domein.

Uit onze praktijk blijkt dat ook bij de Omgevingswet veel gemeenten opnieuw duidelijkheid wensen over de transitieopgave alvorens te starten met de transformatie. De uitvoeringsfilosofie van de Omgevingswet is echter glashelder. Waarom wachten met de transformatie? Tal van gemeenten laten zien dat er nu al slagen te maken zijn.

Waak in elk geval voor onderschatting en houd de regie! De positie van gemeenten in het ruimtelijk domein is straks wezenlijk anders.

Les 2: Organiseer integraliteit

Ondanks de samenhang zijn de 3D’s in veel gemeenten apart geïmplementeerd waardoor de synergievoordelen niet optimaal zijn benut. De integraliteit is ondergesneeuwd. Het gevaar bestaat dat de Omgevingswet op soortgelijke wijze geïmplementeerd gaat worden. De opgave is immers zo omvangrijk dat een fasering in de implementatie in de rede ligt. Deze fasering dient op rijksniveau zo doordacht te worden dat de integraliteit het leidende principe blijft. Tegelijkertijd is het zaak dat gemeenten (conform de eerste les) de transformatiefase al grotendeels hebben doorlopen.

Los daarvan is onze stelling dat integraliteit letterlijk ‘georganiseerd’ moet worden. De organisatiestructuur en werkprocessen dienen daarop aangepast te worden. Een bepaalde mate van redundantie is benodigd om initiatieven van meerdere kanten te belichten. Dat vergt niet alleen capaciteit maar ook specifieke competenties die uiteraard wel in de organisatie aanwezig moeten zijn. Tijdige reflectie hierop is van belang.

Les 3: Paradox van de schaal

Teneinde de taken die volgen uit de 3D’s adequaat te kunnen uitvoeren, hebben veel gemeenten ervoor gekozen de uitvoering regionaal te beleggen. Op decentralisering volgt regionalisering! Wij verwachten eenzelfde beweging bij de implementatie van (delen van) de Omgevingswet.

Belangrijk is dat gemeenten bewust reflecteren op de gewenste schaalniveaus. Een open houding is daarbij cruciaal. In onze optiek hoeft zeker niet de implementatie van de gehele Omgevingswet regionaal belegd te worden. Voor sommige deelterreinen zal regionalisering niet nodig zijn, op andere gebieden kan opgetrokken worden met de geijkte samenwerkingspartners. Ook de Omgevingsdiensten kunnen delen van de implementatie voor hun rekening nemen. Onze ervaring is dat veel gemeenten reflexief handelen en – als gekozen wordt voor regionalisering – kiezen voor de vaste partner(s). Dat kan weliswaar de juiste uitkomst zijn, maar zeker is dat op voorhand niet.

Les 4: 2018 is dichtbij

De implementatie van de 3D’s is voor veel gemeenten een race tegen de klok geworden. Anders dan bij de Omgevingswet ligt de oorzaak hiervoor voornamelijk bij de rijksoverheid. Veel zaken bleven (te) lang onduidelijk waardoor gemeenten in tijdnood kwamen. Dat terwijl de implementatie-opgave inhoudelijk al complex genoeg was.

Om met de Omgevingswet niet opnieuw in een tijdsklem te geraken, dient de implementatie voortvarend ter hand genomen te worden. Er zijn immers nog tal van ingewikkelde knopen te ontwarren en/of door te hakken. Denk aan het organiseren van regionale samenwerking, het regelen van budgetten, eventuele organisatieaanpassingen en de proceduretijd die sowieso gemoeid is met het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo is bijvoorbeeld het Omgevingsplan volledig appellabel.

In grote lijnen zien wij 2018 als het jaar van de implementatie en 2017 als het jaar van de juridische procedures. De inhoud staat centraal in 2016, hetgeen betekent dat de implementatieagenda begin dat jaar gereed moet zijn.

De voorlopers zijn reeds gestart met de eerste oefeningen op grond van de huidige experimenteerruimte. Wij juichen dat toe! Door nu al te experimenteren met complexe opgaven en aan te sluiten bij de bottom-up-beweging in bestuurlijk Nederland, kunnen gemeenten de transformatie snel inzetten. Kortom, maak optimaal gebruik van de ruimte die de Omgevingswet biedt!