Discrimineert uw algoritme? | Berenschot artikel

Discrimineert uw algoritme?

Artikel
Medewerkers in gesprek over algoritmes

Deel dit artikel

Datum

04 november 2026

Leestijd

7 minuten

Algoritmes en AI spelen steeds vaker een doorslaggevende rol in besluitvorming door overheden en bedrijven. Ze bepalen wie wordt gecontroleerd, wie een lening krijgt, wie wordt uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Hoe is daarbij het risico van (indirecte) discriminatie te beteugelen?

Actuele voorbeelden van discriminatie

Discriminerende algoritmes komen regelmatig in het nieuws. Bij de Toeslagenaffaire gebruikte de Belastingdienst bijvoorbeeld een risicoclassificatiemodel waarin nationaliteit meewoog. Uitvoeringsorganisatie DUO controleerde studenten met een migratieachtergrond onevenredig vaak op misbruik van de uitwonendenbeurs. En de rekenkamer van de gemeente Rotterdam was zeer kritisch over een fraudemodel voor bijstandsgerechtigden. Dat woog onder meer taalvaardigheid, geslacht en leeftijd mee, waardoor met name jonge moeders met een gebrekkige beheersing van het Nederlands vaker werden onderzocht.

Waarom is het belangrijk algoritmediscriminatie te meten?

Bij AI-gebaseerde algoritmes is vaak niet direct duidelijk op grond waarvan een beslissing is genomen. Deze algoritmes gebruiken namelijk steeds vaker combinaties van variabelen om uitkomsten te voorspellen. Vaak gaat het daarbij om proxyvariabelen: variabelen die veel zeggen over beschermde kenmerken, maar dat op zichzelf niet zijn. Denk aan ‘of iemand voetbal speelt’ (dat zijn veel vaker mannen) of ‘of iemand veel op vakantie gaat naar Marokko of Turkije’. Zo kan een algoritme discrimineren zonder dat het ooit naar geslacht of afkomst ‘kijkt’.

Bovendien weet iemand die door een algoritme wordt benadeeld meestal niet waarop de beslissing is gebaseerd. Statistische analyses zijn dan vaak de enige manier om discriminatie aannemelijk te maken of juist te weerleggen. Daar komt bij dat de Europese AI-verordening organisaties die AI-systemen met een hoog risico inzetten verplicht om risico’s voor grondrechten te beoordelen en die systemen doorlopend te monitoren. Dat vraagt om kennis hoe discriminatie bij algoritmes te meten is.

Drie manieren om discriminatie bij algoritmes te meten

Bij het onderzoek of een algoritme discrimineert – een zogeheten fairness-analyse – worden in de literatuur drie benaderingen onderscheiden:

1.    Individual fairness kijkt naar individuele gevallen. Gebruikt het algoritme geen beschermde eigenschappen (Fairness Through Unawareness)? En krijgen individuen met vergelijkbare eigenschappen ook vergelijkbare uitkomsten (Fairness Through Awareness)? Deze maatstaven zeggen vooral iets over directe discriminatie en weinig tot niets over indirecte discriminatie via proxyvariabelen.

2.    Group fairness vergelijkt de uitkomsten van het algoritme voor groepen die verschillen op een beschermd kenmerk, zoals mannen en vrouwen of jong en oud. De centrale vraag is: zijn de uitkomsten voor deze groepen gelijk? Voor indirecte discriminatie is dit meestal de meest bruikbare benadering. Het gaat immers vooral om hoe het algoritme in de praktijk uitpakt.

3.    Counterfactual fairness onderzoekt of de uitkomst anders was geweest als dezelfde persoon een andere waarde had gehad voor een beschermd kenmerk, bijvoorbeeld oud in plaats van jong. Daarvoor wordt de werkelijkheid in een causaal model gevat. Een belangrijk nadeel is dat de uitkomst sterk afhangt van het gekozen model.

Group fairness meest bruikbaar

Voor indirecte discriminatie is group fairness meestal het meest bruikbaar. De uitkomsten van een algoritme zijn op veel verschillende aspecten met elkaar te vergelijken. Dat is het beste uit te leggen aan de hand van de verwarringsmatrix (confusion matrix). Die zet de voorspelling van het algoritme af tegen de werkelijke uitkomst. Er zijn vier mogelijkheden:

 

Voorspelling: ja

Voorspelling: nee

Werkelijk: ja

Echt positief (EP)

Foutnegatief (FN)

Werkelijk: nee

Foutpositief (FP)

Echt negatief (EN)

Door de verhoudingen tussen deze vier getallen voor twee groepen te vergelijken, wordt zichtbaar of het algoritme voor beide groepen gelijk uitpakt. Er zijn heel veel van zulke maatstaven. Hierna volgen enkele veelgebruikte:
• Demographic parity: is de kans op een positieve uitkomst gelijk voor beide groepen?
• Conditional demographic parity: is die kans gelijk, rekening houdend met objectieve factoren die wél een rol mogen spelen, zoals inkomen bij een krediet?
• False positive rate parity: als iemand géén fraudeur is, is de kans dat hij of zij ten onrechte als fraudeur wordt aangemerkt dan voor beide groepen gelijk?
• False negative rate parity: als iemand wel hulpbehoevend is, is de kans dat hij of zij ten onrechte geen hulp krijgt dan voor beide groepen gelijk?

Voorbeeld: algoritmes bij sollicitaties

Neem als voorbeeld een fictief algoritme dat op basis van een cv bepaalt wie wordt uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Vrouwen worden iets vaker uitgenodigd dan mannen (35% tegenover 28%). Van de ongeschikte kandidaten wordt 10% van de vrouwen toch uitgenodigd, tegenover 6% van de mannen. Dat werkt in het voordeel van vrouwen. Maar van de geschikte kandidaten wordt 23% van de vrouwen ten onrechte niet uitgenodigd, tegenover 9% van de mannen. Dat type fout benadeelt vrouwen juist. Afhankelijk van de gekozen maatstaf, ontstaat dus een ander beeld.

Let wel, het is zelfs onmogelijk dat alle maatstaven tegelijk gelijk zijn voor beide groepen. Tenzij het algoritme geen enkele fout maakt of de werkelijke uitkomsten in beide groepen precies even vaak voorkomen. Het is dus zaak te bepalen welke maatstaf in een concreet geval écht relevant is.

Wanneer is een maatstaf geschikt?

De keuze voor een maatstaf hangt af van de omstandigheden van het geval. Een handig hulpmiddel is de Aequitas fairness tree: een keuzeboom om stap voor stap tot een geschikte maatstaf te komen. Daarbij zijn vier vragen van belang:

•    Gaat het om een eerlijke afspiegeling van groepen, of om een gelijke kans op fouten van het algoritme?
•    Wordt het algoritme bestraffend of ondersteunend ingezet? Indien ondersteunend: zijn de meeste mensen met een behoefte te helpen, of slechts een klein deel?
•    Zijn er betrouwbare data over de werkelijke uitkomsten?
•    Voor welke groep mensen bestaat de meeste zorg over de negatieve effecten?

Keuzeboom algoritme en discriminatie

De keuzeboom helpt bij het kiezen van een geschikte maatstaf (gebaseerd op de Aequitas fairness tree).

Een voorbeeld: bij een algoritme dat fraude opspoort, is de interventie bestraffend. Bestaat er vooral zorg om mensen die ten onrechte worden gecontroleerd, dan ligt false positive rate parity voor de hand. Bij een algoritme dat bepaalt wie extra ondersteuning krijgt, gaat het eerder om degenen die dergelijke hulp ten onrechte mislopen.

Meten is nog geen oordelen

Een fairness-analyse laat zien of en zo ja in welke mate groepen verschillend worden behandeld. Of dat verschil ook ongerechtvaardigd is, is een andere vraag. Daarvoor is het zaak te bepalen welke maatstaf relevant is en hoeveel verschil acceptabel is. Dat is inherent een normatief oordeel en kan niet zonder meer aan een algoritmeontwikkelaar worden overgelaten.

In het verleden werd daarvoor nogal eens de four-fifths rule gebruikt: de maatstaf voor de slechtst presterende groep moet ten minste vier vijfde bedragen van die van de best presterende groep. Deze Amerikaanse vuistregel mist echter een goede inhoudelijke onderbouwing. De grens hoort te worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Bij een algoritme voor opsporing ligt de lat immers hoger dan bij een algoritme dat kortingsbonnen verdeelt.

Daarnaast telt de betrouwbaarheid van de uitkomsten. Een analyse op een te kleine of niet-representatieve steekproef levert geen bruikbaar bewijs op. Met een betrouwbaarheidsinterval en een toets op significantie is de onzekerheid inzichtelijk te maken.

Goed meten en wegen is mensenwerk

Er bestaan grosso modo drie manieren om discriminatie door algoritmes te meten en tientallen maatstaven. Welke maatstaf het best past, hangt af van de omstandigheden van het geval. Voor indirecte discriminatie is group fairness meestal het meest bruikbaar. De keuzeboom helpt om daarbinnen een keuze te maken.

Het wegen van de resultaten blijft echter mensenwerk. Wie algoritmes inzet of beoordeelt, moet de uitkomsten van zo’n analyse kunnen duiden en de juiste vragen kunnen stellen om tot een goed oordeel te komen.

Heeft u ondersteunig nodig? Stuur mij gerust een bericht of bekijk de Quickscan algoritmes en discriminatie.

Lees verder

Het volledige artikel 'Hoe stel je vast of een algoritme discrimineert?' van Wouter Verbeek leest u in het wetenschappelijke tijdschrift Computerrecht 2026/144.

Blijf op de hoogte van onze laatste inzichten

Meld u aan voor onze nieuwsbrief