Uit het nieuwe coalitieakkoord blijkt dat de Spreidingswet voorlopig van kracht blijft. Dit op verzoek van gemeenten en uitvoeringsorganisaties, om een rechtvaardige verdeling van opvang over gemeenten te borgen. Tegelijkertijd zet het kabinet in op voldoende structurele en flexibele opvangplekken en het afbouwen van noodopvang. Dit alles moet leiden tot een stabieler en voorspelbaarder opvanglandschap.
Provincies en gemeenten bereiden zich dus voor op een volgende cyclus van de Spreidingswet. In dat kader vroeg de Provinciale Regietafel Noord-Holland (PRT) Berenschot het verloop van de eerste cyclus te onderzoeken. De PRT was niet alleen benieuwd in hoeverre doelstellingen zijn bereikt, maar vooral wat daaraan heeft bijgedragen en wat niet. We delen graag de opgedane inzichten, zodat andere provincies, regio’s en gemeenten hier hun voordeel mee kunnen doen.
De eerste cyclus: wat werkte nog onvoldoende en waarom?
Noord-Holland hanteert een getrapt model, met naast een PRT nog vijf regionale regietafels (RRT’s). Het zwaartepunt van de samenwerking en afstemming ligt bij deze RRT’s. Dit werkt goed, omdat vraagstukken op een overzichtelijke schaal zijn besproken en gemeenten elkaar in regionaal verband wisten te vinden. Wel staat PRT zo op afstand van de uitvoering en vervult zij in de praktijk vooral een signalerende en coördinerende rol, met beperkte mogelijkheden om actief te sturen of te ondersteunen.
Verder ligt de verantwoordelijkheid echt bij lokale overheden om hun eigen opvangplekken te realiseren. Wanneer het lokaal vastliep, vonden zelden interventies plaats vanuit de regio of provincie om dat op te lossen. Deels omdat het instrumentarium daarvoor ontbrak en deels ook vanwege de grote afstand tussen lokale uitvoering, regio en provincie.
Deze sterke gerichtheid op lokale verantwoordelijkheid leidde ook tot beperkte regionale afspraken, samenwerking en uitwisseling. Met als gevolg dat er veel afzonderlijke (relatief kleine) locaties ingericht werden en er daardoor veel trajecten naast elkaar liepen. Dat legde weer een groot beslag op de ambtelijke capaciteit en het COA, en zette continu het draagvlak onder druk.
Verder ontbraken regionale afspraken over de gezamenlijke aanpak van de asielopgave. In meerdere regio’s vond wel overleg plaats, maar kwam het minder vaak tot keuzes: hoe verdelen we de opgave als regio? Wat doen we als een gemeente vastloopt? Wanneer is uitruil mogelijk en onder welke voorwaarden?
Landelijke wispelturigheid leidde bovendien tot freeridergedrag. Want waarom zouden wij als gemeente een locatie openen als de wet mogelijk snel wordt afgeschaft? Ook lokaal werd de uitvoering van de wet gefrustreerd door onzekerheid over beschikbaarheid en geschiktheid van locaties, over aantallen, over maatschappelijk en (daarmee) politiek-bestuurlijk draagvlak.
Tot slot blijken de wettelijke termijnen binnen de eerste cyclus in de praktijk niet goed aan te sluiten bij de doorlooptijd van structurele opvanglocaties. Ruimtelijke procedures, participatie en vergunningverlening vragen vaak meer tijd dan binnen één cyclus beschikbaar is. Daardoor kozen gemeenten noodgedwongen voor tijdelijke, sneller te realiseren oplossingen. Begrijpelijk, maar op langere termijn vergroot dit de kans op herhaald draagvlakverlies en bestuurlijke onrust.
Wat werkte wel? En wat leert dat ons?
De grote kracht van de Spreidingswet is dat het gemeenten houvast en legitimiteit geeft om opvanglocaties te realiseren. Zonder de wet was dit vermoedelijk veel moeizamer gegaan. Want waarom zou je als gemeente opvangplekken realiseren als anderen dat niet (hoeven te) doen?
De samenwerking met het COA wordt in de basis gewaardeerd, omdat gemeenten en COA hetzelfde doel nastreven. Daar waar het COA vroegtijdig werd betrokken, besluitvorming beter werd afgestemd en communicatie eenduidig was, nam de voorspelbaarheid toe en kon draagvlak beter worden vastgehouden. Omgekeerd gold ook dat wanneer communicatie niet goed verliep en besluitvorming niet op elkaar aansloot, een gemeente opnieuw kon beginnen.
Verder bleek in Noord-Holland het systeem beter te werken als (vroegtijdig) wordt geïnvesteerd in regionale planvorming. Dat is meer dan een optelsom van de opgave per gemeente. Dit gaat om uitruil tussen gemeenten, om het creëren van duurzame in plaats van tijdelijke opvang en om het betrekken van het COA bij het maken van deze plannen. Nog meer investeren dus in de regio. Intensiever afstemmen en elkaar helpen waar nodig. De PRT is dan het platform waar de regionale opgave wordt gerealiseerd; de commissaris kan een rol spelen bij het doorbreken van impasses in de regio’s.
Waarom dit moment ertoe doet
De tweede cyclus is inmiddels gestart. De eerste negen maanden staan voor provincies en gemeenten in het teken van het komen tot een dekkend bod: wie neemt welk aandeel in de opgave? Aansluitend volgt het verdeelbesluit, dat naar verwachting door het nieuwe kabinet wordt genomen. Dit besluit vormt het formele startmoment voor de realisatie.
Het is echter niet nodig - en zelfs onwenselijk - om daarop te wachten. Uit het onderzoek van Berenschot blijkt dat een stabiel en toekomstbestendig opvanglandschap meer vraagt dan een formeel verdeelbesluit alleen. Intensieve samenwerking, een gezamenlijke benadering van de opgave en tijdige investeringen in een samenhangend en uitvoerbaar (regionaal) plan zijn cruciaal voor een succesvolle tweede cyclus.
Dat momentum is er nu. Een succesvolle tweede cyclus vraagt om meer dan goede intenties: de PRT moet ervoor zorgen dat regio’s en individuele gemeenten over voldoende richting, ondersteuning en capaciteit beschikken om deze stap te zetten. Daarnaast vraagt het om scherpe regionale keuzes, een realistische planning en bestuurlijke regie. Wij helpen provincies, regio’s en gemeenten bij het opstellen van uitvoerbare regionale plannen, het organiseren van effectieve overleg- en besluitvormingsstructuren en het doorbreken van vastgelopen trajecten. Graag gaan wij in gesprek over wat daarvoor in uw situatie nodig is.