Ondanks hun vaak lastige financiële situatie focussen gemeenten vooral op het duurzamer organiseren van het sociaal domein. Dat blijkt uit een analyse van de coalitieakkoorden van de twintig grootste gemeenten door Berenschot.
Gemeenten staan onder druk om hun wettelijke taken uit te voeren: de vraag naar ondersteuning vanuit inwoners groeit, terwijl de kosten oplopen, de financiële ruimte afneemt en er onzekerheid bestaat over het ravijnjaar. Desondanks staat het beter helpen van inwoners hoog op de agenda. Op basis van een analyse van de coalitieakkoorden van de twintig grootste gemeenten* signaleert Berenschot zes rode lijnen.
*Dit betreft de coalitieakkoorden van de gemeenten Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Breda, Den Haag, Ede, Eindhoven, Enschede, Groningen, Haarlem, Haarlemmermeer, Leeuwarden, Nijmegen, Rotterdam, ’s-Hertogenbosch, Tilburg, Utrecht en Zaanstad.
1. Domeinoverstijgende blik en integraal beleid
Problemen staan zelden op zichzelf en kunnen elkaar versterken. Zo kunnen schulden samengaan met gezondheidsproblemen, mentale klachten met problemen op school, en jeugdhulp met werkloosheid, stress of een onveilige woning. Omdat zorg, welzijn, wonen, onderwijs, sport, werk en inkomen nauw verbonden zijn, kiezen gemeenten vaker voor integraal beleid. Denk aan gebiedsgericht werken, verbreden van wijkteams of het verbinden van beleidsprogramma’s.
In Groningen worden bijvoorbeeld de domeinen zorg, sociaal domein, veiligheid en ruimtelijke ontwikkeling expliciet in samenhang bekeken, onder meer bij de aanpak van complexe veiligheids- en zorgvraagstukken. Deze domeinoverstijgende aanpak vormt tevens de basis voor de andere hieronder beschreven beleidsambities.
2. Aandacht voor preventie en vroegsignalering
Wie problemen in samenhang bekijkt, kan eerder passende ondersteuning bieden. Daarom zetten gemeenten in op eerder signaleren, beter doorverwijzen, laagdrempelige hulp en beschermende factoren in de leefomgeving. Zo willen zij voorkomen dat lichte problemen uitgroeien tot zware hulpvragen, en voorzieningen verder overbelast raken. In Tilburg wordt bijvoorbeeld in de armoede- en schuldenaanpak de inkomenstoeslag al na drie jaar uitgekeerd in plaats van pas na vijf jaar. Ook zoekt de gemeente inwoners met geldzorgen eerder op via zichtbaarheid in de wijk en samenwerking met onder meer de Voedselbank en Thuisadministratie. Het ‘Verbeterplan’ maakt regelingen toegankelijker en moet niet-gebruik verminderen.
Gezien de huidige financiële druk bij gemeenten, vergt preventie bestuurlijke ruimte en vasthoudendheid. Het rendement wordt pas later zichtbaar.
3. Van individuele ondersteuning naar samenredzaamheid
Naast individuele hulp kiezen gemeenten vaker voor groepsaanpakken, buurtvoorzieningen en collectieve activiteiten. Inwoners zijn niet alleen hulpvragers, maar ook leden van een gemeenschap die elkaar kunnen helpen, signaleren en versterken. De gemeente zorgt daardoor niet alleen vóór inwoners maar faciliteert ook dat zij meer mét elkaar doen. Dat kan de druk op professionele ondersteuning verlagen. Zo verschuift Almere bijvoorbeeld van individuele naar groepsgerichte hulp en van individuele hulp aan kinderen naar ondersteuning van opvoeders, begeleiders en leerkrachten op scholen.
Samenredzaamheid vraagt zorgvuldigheid en mag geen reden zijn om verantwoordelijkheden bij inwoners neer te leggen. Niet iedereen heeft een sterk netwerk van familie, buren of vrijwilligers. Gemeenten moeten collectieve kracht benutten zonder mensen die maatwerk en extra hulp nodig hebben uit het oog te verliezen.
Van individuele voorzieningen naar gemeenschappen en preventie.
4. Investeren in de sociale basis en zorgzame buurten
Inzetten op de sociale basis sluit aan bij de bovengenoemde focusverschuiving bij gemeenten: van individuele voorzieningen naar gemeenschappen en preventie. Veel gemeenten investeren in voorzieningen, netwerken en ontmoetingsplekken die deelname aan de samenleving ondersteunen. Denk aan buurthuizen, sportverenigingen, vrijwilligersorganisaties, jongerenwerk, mantelzorgondersteuning, bibliotheken en informele wijknetwerken. Deze sociale basis bevordert ontmoeting, gezondheid, zelfstandigheid en sociale cohesie. Ook vermindert zij eenzaamheid, maakt signalen eerder zichtbaar en helpt inwoners elkaar te ondersteunen voordat professionele hulp nodig is.
Breda investeert bijvoorbeeld in sterke buurten en een sociale basis waar inwoners elkaar kennen, helpen en aanspreken. Deze gemeente ondersteunt vrijwilligers en maakt integrale huisvestingsplannen voor plekken waar mensen samen kunnen leren, sporten en elkaar ontmoeten. De sociale basis blijft echter breed en lastig af te bakenen. Gemeenten moeten daarom verduidelijken waarin zij wel en niet investeren, waarom en met welk verwacht resultaat.
5. Aansluiten bij de leefwereld
In de onderzochte coalitieakkoorden staat niet het systeem maar de behoeften van inwoners centraal. Dat vraagt luisteren, ervaringskennis benutten en beleid aan de praktijk toetsen. Inwoners ervaren immers geen afzonderlijke werelden van Wmo, Jeugdwet, Participatiewet en schuldhulpverlening, maar één situatie met samenhangende problemen.
Omdat complexe, verkokerde regels, loketten en procedures passende hulp kunnen belemmeren, streven gemeenten naar minder versnippering en bureaucratie en meer nabijheid. Zij vereenvoudigen toegang, regels en communicatie en bieden hulp op vertrouwde plekken waar kwetsbare groepen al komen, zoals scholen, huisartsenpraktijken, wijkcentra en sportverenigingen. Neem het Nijmeegs Maatschappelijk Meedoen Budget, dat inkomensondersteuning bundelt. Dit verlaagt de administratieve lasten voor inwoners en gemeente en biedt meer zekerheid rond voldoende inkomen, onverwachte hoge kosten en maatschappelijke participatie. Nijmegen benadert en informeert inwoners hier actief over.
6. Maatschappelijke opgaven realiseren met partners
Gemeenten zoeken actiever de samenwerking met maatschappelijke organisaties, onderwijs, zorgaanbieders, vrijwilligersorganisaties, kennisinstellingen en andere gemeenten. Veel opgaven zijn te groot en te verweven om als gemeente alleen op te lossen. Samenwerking varieert van gezamenlijke inkoop en regionale afspraken tot lokale netwerken en partnerschappen rond jeugd, armoede, gezondheid en participatie. De gemeente treedt niet enkel op als bestuurder, maar ook als kennispartner, netwerkpartner en facilitator.
Het doel is te komen tot snellere, overzichtelijker en beter passende ondersteuning. Het moet voor inwoners minder uitmaken waar zij aankloppen; partners moeten elkaar vinden en informatie kunnen delen. Dit vraagt heldere verantwoordelijkheden, vertrouwen, gezamenlijke doelen en afspraken over informatie, financiering en uitvoering. Anders deelt iedereen de ambitie, maar kan niemand doorpakken.
Scherpe keuzes en integrale aanpak
De analyse van de twintig coalitieakkoorden laat zien dat gemeenten actief inzetten op een toekomstbestendiger sociaal domein. Deze transformatie vraagt tijd, investeringen, vertrouwen en bestuurlijke moed. Gemeenten kunnen van elkaar leren over eenvoudige toegang, financiering van preventie, samenwerking zonder extra bureaucratie en het centraal stellen van inwoners. De komende jaren moet de gedeelde ambitie praktijk worden. De echte opgave is niet alleen anders denken, maar het sociaal domein ook daadwerkelijk anders organiseren. Dat vergt scherpe keuzes en een integrale aanpak.
Berenschot begeleidt gemeenten bij vraagstukken rondom transformatie, samenwerking, preventie en uitvoerbaarheid, en zet zich actief in voor vernieuwing in het sociaal domein. Benieuwd welke stappen uw gemeenten kan zetten? Neem dan contact op met onze adviseurs.