Wettelijk is vastgelegd dat mensen die zorg ontvangen inspraak hebben in het beleid van zorginstellingen en daarmee op besluiten die hun dagelijks leven raken. Omdat dit in de praktijk niet altijd leidde tot daadwerkelijke zeggenschap aan tafel, werd in 2020 de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018) van kracht. Berenschot onderzocht in opdracht van het ministerie van VWS hoe de Wmcz 2018 in de praktijk functioneert. Wij brachten in kaart waar de wet bijdraagt aan betekenisvolle medezeggenschap en waar verbetering nodig is in de uitvoering.
De Wmcz 2018 geldt voor zorginstellingen in brede zin en - via de Jeugdwet - ook voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. Deze wet verplicht instellingen om medezeggenschap te organiseren voor cliënten, vaak via een cliëntenraad. Ook moet er binnen de instelling een medezeggenschapsregeling zijn met afspraken over onder meer inrichting, werkwijze, informatievoorziening en faciliteiten.
Opdracht en aanpak
De opdracht van VWS luidde: achterhaal wat goed gaat, waar het vastloopt en wat helpt om medezeggenschap echt betekenisvol te maken. Hiervoor combineerde Berenschot een analyse van beschikbare gegevens met een breed uitgezette enquête en verschillende groepsgesprekken met cliëntenraden, bestuurders en branche- en koepelorganisaties.
Inrichting niet overal eenvoudig
Medezeggenschap is niet overal op dezelfde manier ingericht. In de jeugdhulp blijkt het bovendien vaker ingewikkeld om cliëntenmedezeggenschap goed te organiseren. “In gesprekken noemen betrokkenen meerdere oorzaken: er is niet altijd animo bij cliënten, trajecten kunnen kort zijn, cliënten zijn soms te jong om zelf mee te doen, en inspraak wordt regelmatig op andere manieren georganiseerd”, schetst Saraï Sapulete, managing consultant bij Berenschot. “Ook zien we instellingen in de verschillende sectoren worstelen met het vormgeven van een goede inspraakcultuur, waarbij de medezeggenschap zo wordt ingericht dat het zowel werkbaar is als daadwerkelijk invloed oplevert.”
Niet automatisch meer invloed
Hoewel de Wmcz 2018 medezeggenschap zichtbaarder en steviger heeft gemaakt, laat de evaluatie zien dat cliëntenraden niet automatisch ook meer invloed ervaren op besluitvorming. “Vooral tijdige betrokkenheid, begrijpelijke en complete informatie en goede terugkoppeling wat er met adviezen gebeurt, blijken bepalend om invloed te kunnen uitoefenen op beleid en besluiten daaromtrent”, stelt Sapulete. “ Zo niet, dan wordt medezeggenschap sneller ervaren als iets wat ‘moet’, in plaats van iets wat helpt.”
Maatwerk waardevol, mits het invloed versterkt
Met de Wmcz 2018 wilde de wetgever niet alleen juridische obstakels wegnemen, maar ook een cultuuromslag stimuleren en meer ruimte creëren voor maatwerk. “Die ruimte zien we terug in gelaagde medezeggenschap, zoals lokale cliëntenraden op locaties waar cliënten langdurig verblijven of thuis zorg ontvangen en een centrale cliëntenraad, met een duidelijke taakverdeling die wordt vastgelegd in de medezeggenschapsregeling”, zegt Sapulete. “Tegelijk is maatwerk alleen effectief als het de stem van cliënten versterkt en niet verdunt. Denk aan een lichtere inrichting van de medezeggenschap waarbij invloed minder stevig is geborgd.”
Grootste winst
De slotconclusie van Berenschot is dat de Wmcz 2018 over het algemeen voldoet en dat er geen aanleiding is om de wet direct aan te passen. Sapulete: “De grootste winst is te behalen in de uitvoering van de wet: heldere afspraken, goede ondersteuning en een cultuur waarin medezeggenschap vanzelfsprekend onderdeel is van besturen.” Het onderzoeksrapport biedt hiervoor concrete handvatten voor de praktijk.